CARTE ANTO (Fondateur)
(8 décembre 1886, Mons (BE) - Ixelles (BE), 13 février 1954)
In 1897, op 11-jarige leeftijd, verliet hij de middelbare school om lessen te volgen aan de Academie van Bergen, waar hij onderricht kreeg van Antoine Boulard en Émile Motte (ezelschilderkunst) en Arthur Claus (hout- en marmertechnieken). Zijn leraren merkten al snel zijn uitzonderlijke tekentalent op.
In 1902 moest hij om financiële redenen overschakelen naar avondonderwijs en ging hij overdag aan de slag als leerjongen bij zijn buurman Frantz Depooter, de vader van schilder Frans Depooter. Door in een decoratie- en schildersbedrijf te werken, trad hij in contact met verscheidene ambachtslui, en deed hij een goede technische basiskennis op.
Rond zijn twintigste nam hij de artiestennaam Anto Carte aan. In de klas van Emile Motte aan de Academie van Bergen ontmoette hij Louis Buisseret, die zijn trouwste vriend en grote steun zou worden. Hij maakte er ook andere vrienden, o.a. Victor Regnart, Alfred Moitroux, Arsène Detry en Alex Louis Martin. Maar het is Buisseret die hem geruststelde en ook aanmoedigde om in zichzelf te geloven en zijn werk tentoon te stellen. Anto Carte was van nature onzeker en ontevreden.
Dankzij een beurs kon hij tot 1910 verder studeren aan de Academie van Brussel, waar ook Buisseret studeerde, bij de idealistische en symbolistische meesters Constant Montald, Émile Fabry en Jean Delville. Ze brachten hem kleur-, teken- en compositieleer bij.
In 1912 ontdekte hij de poëzie van Verhaeren, en begon hij deze, aangemoedigd door Delville, te illustreren. Verhaeren zou hem blijvend inspireren en de thema’s van zijn werken van de eerste periode bepalen (zoals Le pêcheur, le fossoyeur, le passeur d’eau). Zijn vroege werk was doordrenkt van poëzie en fantasie; hij gebruikte felle kleuren en kraste met messen door de verflagen om de lichtintensiteit nog op te voeren.
Tussen 1910 en 1913, met het vurige verlangen om zich open te stellen voor de avant-garde, verbleef hij, dankzij een beurs van Montald, in Parijs. Hij kwam er terecht in het atelier van Cavaillé-Coll en Léon Bakst, die zelf voor de Russische balletten van Diaghilev werkten. Zijn fascinatie voor en de invloed van Bakst zou later zichtbaar worden in zijn kostuumontwerpen, onder andere voor de danseres Akarova. Maar wat hij daar aanleerde met betrekking tot kostuum- en decorkunsten zal de spontane eenvoud van zijn picturaal werk niet aantasten.
Tijdens regelmatige bezoeken aan het Louvre ontdekte hij de Italiaanse schilderkunst van de 17de en 18de eeuw, die hem compositie en stijl bijbrachten. Anderzijds onderging hij de invloed van het late impressionisme en het opkomende fauvisme maar weinig en het feit dat het symbolisme van zijn Brusselse meesters stilaan van het toneel verdween, trof hem niet.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog en de bezetting bleef hij actief in een klein atelier, “le plancher à sonnette”, waar men enkel met een paswoord binnen kon. Onder toezicht vrijgelaten na een korte hechtenis, voerde hij decoratiewerken uit, maar stopte nooit voor zichzelf te schilderen. In die periode werd hij door velen gesteund, onder meer door kanunnik Puissant die hem keramiek aanleerde. Zijn handigheid breed zich uit tot de klei: een troef meer.
Na de oorlog illustreerde hij werken van Maeterlinck (Le Massacre des Innocents) en van Marcel Wolfers (Les écrits de novembre). In 1917 nam hij, aangespoord door Buisseret, deel aan de Salon de l’Illustration in Brussel, wat hem later naar Pittsburgh (VS) bracht. In 1923 exposeerde hij met de “Ymagiers belges” op het Salon d’Automne in Parijs. Hij ontmoette er zijn “oudere broers in brueghelisme”, Valerius de Sadeleer en Gustave Van de Woestyne. Men zou dus kunnen stellen dat Anto Carte bevriend was met Gustave Van de Woestijne en dat ze elkaar wederzijds hebben beïnvloed.
Zijn doorbraak gebeurde in 1925 met een omvangrijke retrospectieve in het Carnegie Institute in Pittsburgh, waar hij 60 werken toonde en ze allemaal verkocht. Het Amerikaans publiek heeft hem ontdekt en waardeerde hem. Omdat hij, voor 1940, jurylid werd bij het Carnegie Institute, reisde hij nadien vaak naar de Verenigde Staten. Datzelfde jaar won hij nog een gouden medaille op de Wereldtentoonstelling voor decoratieve en industriële kunsten in Parijs. Door zijn talrijke reizen naar Italië, onder andere naar Firenze, ontdekte hij ook de kunst van het fresco.
In 1928 richtte hij samen met zijn vrienden Louis Buisseret en Léon Eeckman de Nervia-groep op, die vaak wordt voorgesteld als de Waalse tegenhanger van de Latemse school. Zoals de Groupe des XX, wilde Nervia een nieuwe generatie kunstenaars aanmoedigen, zoals Frans Depooter, Léon Devos, Léon Navez, Taf Wallet, Jean Winance, waarbij zich de oudere Pierre
Paulus en Rodolphe Strebelle zouden toevoegen. Ze beoogden een intimistische, humanistische kunst met Italiaanse en symbolistische trekken, los van het abstracte, dat hen niet lag. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zal dit hen worden verweten, omdat dit blijkbaar dicht bij de Duitse orde lag: pure onzin, de “Nerviens” drukten enkel hun gevoelens uit.
Anto Carte was de spilfiguur, de “Meester” die, fier van zijn roem, vaak veeleisend was en streng advies gaf aan zijn medestudenten: hij hield ervan om jonge kunstenaars te begeleiden.
Zo raadde hij in een brief Frans Depooter aan om de klassieke en academische schilderkunst op te geven, zodat zijn persoonlijke kwaliteiten tot uitdrukkeing zouden komen.
In 1929 vroeg Henry Van de Velde, de stichter en eerste directeur van La Cambre hem om de leiding te nemen van het atelier monumentale en decoratieve kunst. In 1932, verliet hij deze functie, waarschijnlijk omdat hij niet akkoord was met de ideeën van zijn directeur en werd hij benoemd als professor decoratieve en monumentale kunst aan de Academie van Brussel.
Tussen 1935 en 1939 werkte hij aan meerdere glasraam-ensembles met de glazenier Florent-Prosper Colpaert, o.a. voor de kerk van Sint-Philippus Neri in de abdij van Ter Kameren. Een natuurlijke keuze, want in 1920 was Colpaert zijn leermeester geweest in de glas-in-loodkunst. In die tijd werkten ze prima samen, al verraadt hun briefwisseling kleine onenigheden met betrekking tot technieken en kostprijzen.
In 1938 werd de Nervia-groep ontbonden, voornamelijk na een misverstand met Louis Buisseret in verband met de plaatsing van kunstwerken in een tentoonstelling.
Anto-Carte ontwierp dan de Kruisweg van de Ter Kameren kerk, die in 1945 voltooid was. Hij zocht er geen vernieuwing maar eerder een harmonieus en mooi afgewerkt resultaat. De Tweede Wereldoorlog en de bezetting lieten geen spoor achter in zijn werk (in tegenstelling tot de Eerste Wereldoorlog en het schilderij “Le Village détruit”). Onverschillig voor de oorlog, trok hij zich terug in zijn huis in Wauthier-Braine, waar hij rust en vrede vond. In 1949 schilderde hij het grote Salon in Orval, waar hij ook al fresco’s voor de kapel had gemaakt. In 1952 werd de basiliek van Koekelberg ingehuldigd, maar de vermoeide Anto-Carte had de afwerking van de glasramen die aan hem besteld werden aan Jacques Maes overgedragen.
Hij overleed op 15 februari 1954 in zijn appartement in Elsene.
Om Anto-Carte samen te vatten, kan men vaststellen dat een aantal van zijn schilderijen decoratief en maniëristisch zijn, terwijl andere werken heel monumentaal uitgewerkt werden. Een aantal van zijn werken zijn religieus geïnspireerd, en vaak verbond hij de mystiek en het alledaagse. Hij was evenzeer onder de indruk van zijn ontmoeting met Dom Martin, benedictijnse monnik die La Croix Latine leidde (een groep kunstenaars die de religieuze kunst wilden vernieuwen), als van Emile Verhaeren.
Anto Carte was een veelzijdige en volkomen kunstenaar die zich zijn hele leven heeft toegelegd op schilderen, tekenen, graveren, lithografie, fresco's, glas-in-lood, keramiek, beeldhouwkunst, theaterdecor, illustratiekunst, wandtapijten, houtsnijwerk, decoratie en meer. Hij was steeds op zoek en bereid om te experimenteren met nieuwe technieken en disciplines. En was even behendig met de borstel en het penseel, als met de beitel, de pottenbakkersklei, de stoffeerdersnaald en -streng, de glasblazersdiamant en de timmermansschaaf.
Internationaal erkend, van Riga tot Brooklyn via Cleveland, Mexico en Brazilië, bleef zijn persoonlijkheid toch mysterieus: soms vrolijke grappenmaker, soms dromer, fragiel en neerslachtig, de mensheid ontvluchtend.
Ik heb hem persoonlijk gekend als een introverte en bezorgde man, maar ik begrijp nu ook dat hij gevangen zat in het beeld dat men van hem had, dat van de joviale Waal, de ondeugende vriend, de verhalenverteller, de clown, de mime, de grappenmaker… Albert Guislain zei dat hij de Waalse Uylenspiegel was, maar hij voegde onmiddellijk toe “hier is de ongedwongen en speelse Carte, waarvan zoveel mensen spreken zonder hem echt te kennen. Enkel Youl, zijn echtgenote, en zijn naaste vrienden, Buisseret, Eeckman, Devos, Navez en Wallet, kunnen ons vertellen hoezeer de man eigenlijk gevangen zat in zijn legende.
En inderdaad, in zijn kunst vindt men niets terug van deze sympathieke geestigheid.
In 1902 moest hij om financiële redenen overschakelen naar avondonderwijs en ging hij overdag aan de slag als leerjongen bij zijn buurman Frantz Depooter, de vader van schilder Frans Depooter. Door in een decoratie- en schildersbedrijf te werken, trad hij in contact met verscheidene ambachtslui, en deed hij een goede technische basiskennis op.
Rond zijn twintigste nam hij de artiestennaam Anto Carte aan. In de klas van Emile Motte aan de Academie van Bergen ontmoette hij Louis Buisseret, die zijn trouwste vriend en grote steun zou worden. Hij maakte er ook andere vrienden, o.a. Victor Regnart, Alfred Moitroux, Arsène Detry en Alex Louis Martin. Maar het is Buisseret die hem geruststelde en ook aanmoedigde om in zichzelf te geloven en zijn werk tentoon te stellen. Anto Carte was van nature onzeker en ontevreden.
Dankzij een beurs kon hij tot 1910 verder studeren aan de Academie van Brussel, waar ook Buisseret studeerde, bij de idealistische en symbolistische meesters Constant Montald, Émile Fabry en Jean Delville. Ze brachten hem kleur-, teken- en compositieleer bij.
In 1912 ontdekte hij de poëzie van Verhaeren, en begon hij deze, aangemoedigd door Delville, te illustreren. Verhaeren zou hem blijvend inspireren en de thema’s van zijn werken van de eerste periode bepalen (zoals Le pêcheur, le fossoyeur, le passeur d’eau). Zijn vroege werk was doordrenkt van poëzie en fantasie; hij gebruikte felle kleuren en kraste met messen door de verflagen om de lichtintensiteit nog op te voeren.
Tussen 1910 en 1913, met het vurige verlangen om zich open te stellen voor de avant-garde, verbleef hij, dankzij een beurs van Montald, in Parijs. Hij kwam er terecht in het atelier van Cavaillé-Coll en Léon Bakst, die zelf voor de Russische balletten van Diaghilev werkten. Zijn fascinatie voor en de invloed van Bakst zou later zichtbaar worden in zijn kostuumontwerpen, onder andere voor de danseres Akarova. Maar wat hij daar aanleerde met betrekking tot kostuum- en decorkunsten zal de spontane eenvoud van zijn picturaal werk niet aantasten.
Tijdens regelmatige bezoeken aan het Louvre ontdekte hij de Italiaanse schilderkunst van de 17de en 18de eeuw, die hem compositie en stijl bijbrachten. Anderzijds onderging hij de invloed van het late impressionisme en het opkomende fauvisme maar weinig en het feit dat het symbolisme van zijn Brusselse meesters stilaan van het toneel verdween, trof hem niet.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog en de bezetting bleef hij actief in een klein atelier, “le plancher à sonnette”, waar men enkel met een paswoord binnen kon. Onder toezicht vrijgelaten na een korte hechtenis, voerde hij decoratiewerken uit, maar stopte nooit voor zichzelf te schilderen. In die periode werd hij door velen gesteund, onder meer door kanunnik Puissant die hem keramiek aanleerde. Zijn handigheid breed zich uit tot de klei: een troef meer.
Na de oorlog illustreerde hij werken van Maeterlinck (Le Massacre des Innocents) en van Marcel Wolfers (Les écrits de novembre). In 1917 nam hij, aangespoord door Buisseret, deel aan de Salon de l’Illustration in Brussel, wat hem later naar Pittsburgh (VS) bracht. In 1923 exposeerde hij met de “Ymagiers belges” op het Salon d’Automne in Parijs. Hij ontmoette er zijn “oudere broers in brueghelisme”, Valerius de Sadeleer en Gustave Van de Woestyne. Men zou dus kunnen stellen dat Anto Carte bevriend was met Gustave Van de Woestijne en dat ze elkaar wederzijds hebben beïnvloed.
Zijn doorbraak gebeurde in 1925 met een omvangrijke retrospectieve in het Carnegie Institute in Pittsburgh, waar hij 60 werken toonde en ze allemaal verkocht. Het Amerikaans publiek heeft hem ontdekt en waardeerde hem. Omdat hij, voor 1940, jurylid werd bij het Carnegie Institute, reisde hij nadien vaak naar de Verenigde Staten. Datzelfde jaar won hij nog een gouden medaille op de Wereldtentoonstelling voor decoratieve en industriële kunsten in Parijs. Door zijn talrijke reizen naar Italië, onder andere naar Firenze, ontdekte hij ook de kunst van het fresco.
In 1928 richtte hij samen met zijn vrienden Louis Buisseret en Léon Eeckman de Nervia-groep op, die vaak wordt voorgesteld als de Waalse tegenhanger van de Latemse school. Zoals de Groupe des XX, wilde Nervia een nieuwe generatie kunstenaars aanmoedigen, zoals Frans Depooter, Léon Devos, Léon Navez, Taf Wallet, Jean Winance, waarbij zich de oudere Pierre
Paulus en Rodolphe Strebelle zouden toevoegen. Ze beoogden een intimistische, humanistische kunst met Italiaanse en symbolistische trekken, los van het abstracte, dat hen niet lag. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zal dit hen worden verweten, omdat dit blijkbaar dicht bij de Duitse orde lag: pure onzin, de “Nerviens” drukten enkel hun gevoelens uit.
Anto Carte was de spilfiguur, de “Meester” die, fier van zijn roem, vaak veeleisend was en streng advies gaf aan zijn medestudenten: hij hield ervan om jonge kunstenaars te begeleiden.
Zo raadde hij in een brief Frans Depooter aan om de klassieke en academische schilderkunst op te geven, zodat zijn persoonlijke kwaliteiten tot uitdrukkeing zouden komen.
In 1929 vroeg Henry Van de Velde, de stichter en eerste directeur van La Cambre hem om de leiding te nemen van het atelier monumentale en decoratieve kunst. In 1932, verliet hij deze functie, waarschijnlijk omdat hij niet akkoord was met de ideeën van zijn directeur en werd hij benoemd als professor decoratieve en monumentale kunst aan de Academie van Brussel.
Tussen 1935 en 1939 werkte hij aan meerdere glasraam-ensembles met de glazenier Florent-Prosper Colpaert, o.a. voor de kerk van Sint-Philippus Neri in de abdij van Ter Kameren. Een natuurlijke keuze, want in 1920 was Colpaert zijn leermeester geweest in de glas-in-loodkunst. In die tijd werkten ze prima samen, al verraadt hun briefwisseling kleine onenigheden met betrekking tot technieken en kostprijzen.
In 1938 werd de Nervia-groep ontbonden, voornamelijk na een misverstand met Louis Buisseret in verband met de plaatsing van kunstwerken in een tentoonstelling.
Anto-Carte ontwierp dan de Kruisweg van de Ter Kameren kerk, die in 1945 voltooid was. Hij zocht er geen vernieuwing maar eerder een harmonieus en mooi afgewerkt resultaat. De Tweede Wereldoorlog en de bezetting lieten geen spoor achter in zijn werk (in tegenstelling tot de Eerste Wereldoorlog en het schilderij “Le Village détruit”). Onverschillig voor de oorlog, trok hij zich terug in zijn huis in Wauthier-Braine, waar hij rust en vrede vond. In 1949 schilderde hij het grote Salon in Orval, waar hij ook al fresco’s voor de kapel had gemaakt. In 1952 werd de basiliek van Koekelberg ingehuldigd, maar de vermoeide Anto-Carte had de afwerking van de glasramen die aan hem besteld werden aan Jacques Maes overgedragen.
Hij overleed op 15 februari 1954 in zijn appartement in Elsene.
Om Anto-Carte samen te vatten, kan men vaststellen dat een aantal van zijn schilderijen decoratief en maniëristisch zijn, terwijl andere werken heel monumentaal uitgewerkt werden. Een aantal van zijn werken zijn religieus geïnspireerd, en vaak verbond hij de mystiek en het alledaagse. Hij was evenzeer onder de indruk van zijn ontmoeting met Dom Martin, benedictijnse monnik die La Croix Latine leidde (een groep kunstenaars die de religieuze kunst wilden vernieuwen), als van Emile Verhaeren.
Anto Carte was een veelzijdige en volkomen kunstenaar die zich zijn hele leven heeft toegelegd op schilderen, tekenen, graveren, lithografie, fresco's, glas-in-lood, keramiek, beeldhouwkunst, theaterdecor, illustratiekunst, wandtapijten, houtsnijwerk, decoratie en meer. Hij was steeds op zoek en bereid om te experimenteren met nieuwe technieken en disciplines. En was even behendig met de borstel en het penseel, als met de beitel, de pottenbakkersklei, de stoffeerdersnaald en -streng, de glasblazersdiamant en de timmermansschaaf.
Internationaal erkend, van Riga tot Brooklyn via Cleveland, Mexico en Brazilië, bleef zijn persoonlijkheid toch mysterieus: soms vrolijke grappenmaker, soms dromer, fragiel en neerslachtig, de mensheid ontvluchtend.
Ik heb hem persoonlijk gekend als een introverte en bezorgde man, maar ik begrijp nu ook dat hij gevangen zat in het beeld dat men van hem had, dat van de joviale Waal, de ondeugende vriend, de verhalenverteller, de clown, de mime, de grappenmaker… Albert Guislain zei dat hij de Waalse Uylenspiegel was, maar hij voegde onmiddellijk toe “hier is de ongedwongen en speelse Carte, waarvan zoveel mensen spreken zonder hem echt te kennen. Enkel Youl, zijn echtgenote, en zijn naaste vrienden, Buisseret, Eeckman, Devos, Navez en Wallet, kunnen ons vertellen hoezeer de man eigenlijk gevangen zat in zijn legende.
En inderdaad, in zijn kunst vindt men niets terug van deze sympathieke geestigheid.
